zaterdag 7 november 2015
Stormenderland - Endymion

Endymion

(vertaling Endymion van John Keats, 1818)

Iets van schoonheid schenkt ons eindeloos plezier:
Wat mooi is wordt alleen maar mooier: hier
Krijgt vergankelijkheid geen vat op, maar er wacht
Ons immer een stil prieel, en dromen zacht
Met rustig ademen — een heilzaam leven.
Daarom, bij ieder ochtendgloren, weven
Wij een bloemenlint dat ons bindt aan deze plek,
Ondanks wanhoop, het onmenselijk gebrek
Aan edelen van hart, de dagen beladen,
De heilloze, oversomberde paden
Waar we tastend gaan… Maar hoe dit zij,
Soms schuift schoonheid de sluiers opzij
Van ons wangemoed. Zo de zon, de maan,
Bomen oud en jong, die een morsel schaduw slaan
Voor schaapjes; zo in het groen de narcissen;
Zo het stille beekje met de vissen
Dat zichzelf beschutting schept en koelte;
Het midwouds varenbosje in de zwoelte
Waar de muskusroos haar geurenpracht ontbot;
Zo ook en niet anders de grandeur van ’t lot
Waarmee wij de grote doden bekleden; —
Die eeuwige bron vloeit onsterfelijk voort,
Voor ons ontspringend aan de hemelpoort.